Keeping It Real Art Critics
Since 2016


<<back to homepage



De Toekomstige Directeur van het Stedelijk Museum
20 oktober 2017



Beatrix Ruf stapt op. Verstandig, ongrijpbaar en in stilte vertrekt ze in haar zwarte gewaad, terug de nacht in. Zoals dat vaak gaat met corruptieschandalen juicht men het vertrek van de rotte appel toe, in de veronderstelling dat met haar ook de rotting verdwijnt. Omdat nu duidelijk, oftewel financieel, is aangetoond dat zij niet zuiver in dienst van het Stedelijk opereerde, ontstaat het beeld van Beatrix Ruf als eenzaam corrupt geval, en over haar vertrek heerst opluchting - alsof daarmee ook het Stedelijk gered zou zijn. Dat dit volstrekt gezapige ijdele hoop is, blijkt uit het feit dat de evidente artistieke corruptie van het museum nooit aanleiding bood om Beatrix Ruf van haar plek te verwijderen. De grootste bedreiging voor het museum is niet zozeer dit corruptie schandaal, maar de perverse ideologische dynamiek die eraan ten grondslag ligt, een dynamiek die uiteindelijk neerkomt op een volmaakte desinteresse in kunst, en als zodanig geleid heeft tot een hele reeks inadequate beslissingen binnen de culturele sector; om te beginnen bij de aanstelling van Beatrix Ruf als directeur van het stedelijk museum. 

Wie de stukken leest, ontkomt namelijk niet aan de indruk dat Beatrix Ruf nu moet opstappen om precies dezelfde redenen als waarom ze werd aangenomen. Het idee was dat zij het Stedelijk mee zou nemen de toekomst in: een toekomst waarin het museum een machtige positie inneemt ten aanzien van een uitdijende kunstmarkt, juist door eraan deel te nemen. Zij zou het museum als een ervaren gids door het landschap loodsen, en het daarbij onvermijdelijke ontstaan van een schemergebied tussen haar belang en dat van het museum kreeg al bij voorbaat de smaak van een verfijnde exotische vrucht waar men wel voorzichtig van durfde te proeven. Er sprak voldoening uit deze beslissing, over het feit dat het museum nu voorgoed afscheid nam van haar provinciale excentriciteit en van de daarbij horende naÔeve, anachronistische ideeŽn omtrent (artistieke) integriteit. Het was nu tijd om de schoonheid van de markt te omarmen, en dit op zichzelf was een artistieke, smaakvolle greep, met bovendien een heel eigen esthetisch gevoel. De jonge kunstenaars uit de kring van Ruf - Seth Price, Jana Euler, Jon Rafman, Jordan Wolfson, Ed Atkins, Avery Singer - delen onderling niet zozeer een artistieke overtuiging, als wel een allure van gotische, links-geŽngageerde onverschilligheid - oftewel het soort coolheid waarvoor je alleen gevoelig kan zijn als je verder geen bal verstand hebt van kunst, maar er wel graag iets van wil. Het toppunt was wel de tentoonstelling van Zanele Muholi, waarbij de bezoeker geacht werd geÔnteresseerd te zijn in de luie spinsels van een verwende snol, alleen omdat ze uit Zuid Afrika komt, lesbisch en zwart is.

Ondertussen probeert Bas Heijne zijn linkse engagement uit een brandende kerk te redden door het engagement van Ruf en de kunstwereld los te snijden van het zuivere, goede engagement; alsof deze decadente vorm van Ruf niet een uiting is van de inherent corrumperende aard van linkse ideologie, maar, in tegenstelling daartoe, een door rechts gestolen masker is, dat over die gierende beerput van corrupte lelijkheid wordt getrokken om de aanblik een beetje te verzachten.

Maar de reden dat links engagement kunst corrumpeert, is niet dat het slecht wordt uitgevoerd, maar dat het alleen maar slecht uitgevoerd kan worden. Idealen horen bij het leven, en als zodanig kan kunst over idealen gaan. Maar zodra men kunst aan idealen onderwerpt, zoals per definitie het geval is bij geŽngageerde kunst, legt men kunst de grootst mogelijke handicap op: zij mag namelijk niet meer gaan over de wereld zoals die is, maar moet gaan over de wereld zoals die zou moeten zijn, terwijl ondertussen onduidelijk is of zij ooit zo kan zijn, en of zij dan ook daadwerkelijk beter is. Het ideaal, dat op zichzelf al de meest platte en gemakzuchtige vorm van verlangen is, omdat zij in feite nergens aan hoeft te voldoen, behalve dan dat zij “ideaal” is, gedraagt zich als een nare last. Het besef, ondertussen, dat het ideaal de wereld niet beter maakt, er alleen maar als een platte pannenkoek bovenop ligt, leidt tot vervreemding, die alleen verholpen kan worden met een gezonde dosis cynisme (Ruf), of een ongezonde dosis optimisme. Beiden zijn niet aan te raden.

Heijne’s misvatting suggereert dat het Stedelijk erop vooruit zou gaan als er nu een integere links-geŽngageerde directeur zou komen. Een dergelijke keuze zou nog weleens de doodslag kunnen betekenen (op zichzelf de moeite van het proberen waard!); integer links-engagement reflecteert namelijk ook op zichzelf, en komt daarmee steevast in het soort kannibalistisch academisch gemurmel terecht dat uiteindelijk altijd tot de conclusie wil komen dat niets meer mogelijk is. Dit overkwam kunstcentrum de Appel. Het is een perverse vorm van desinteresse, waarbij men aan de zon de voorwaarde stelt dat zij alleen mag schijnen als zij goed schijnt, en verbaasd is als alles vervolgens begint te verdorren. Wat dat betreft zijn die blockbuster tentoonstellingen van Karin van Gilst aantrekkelijker, al is het omdat Matisse en Picasso, als dan toch niemand anders het doet, het leven omarmen. Zeker als dat genoeg druk van de ketel haalt, om daarnaast te kunnen experimenteren met jonge kunstenaars zonder dat die meteen een maatschappelijk nut hoeven dienen, of de portemonnee van een directeur moeten spekken. Ik zeg: laat de teugels een beetje vieren en alles gaat weer leven en bloeien, ook in de kunst.

Ook geplaatst in ThePostOnline
http://cult.tpo.nl/2017/10/22/toekomstige-directeur-stedelijk-museum/